Ingezonden stuk

Curaçao beleeft een bijzonder en historisch moment. De prestaties van ons nationaal elftal, de groeiende internationale zichtbaarheid van onze spelers en de opening van een officiële FFK Fan Store in Sambil zijn meer dan louter sportieve of commerciële gebeurtenissen. Zij raken aan iets diepers: identiteit, waardigheid, collectieve trots en de vraag hoe Curaçao zichzelf in de wereld wil presenteren.
De officiële FFK Fan Store wordt gepresenteerd als een exclusief verkooppunt voor officiële producten van het nationale team. Daarmee krijgen supporters de mogelijkheid hun verbondenheid met het Curaçaose voetbal zichtbaar te tonen. Op zichzelf is dat een positieve ontwikkeling. Het versterkt de beleving rondom het nationale elftal en draagt bij aan de professionalisering van onze sportcultuur.
Toch roept de opening van deze fan shop ook een principiële vraag op:
Velen zullen zich wellicht afvragen waarom juist deze vraag nu wordt gesteld. Het antwoord ligt in de symboliek van het moment. Op 21 mei 2026 vond in Sambil de opening plaats van deze fan shop. Wat een feestelijk en verbindend moment had moeten zijn, kreeg voor velen een ongemakkelijke lading doordat de eer van dit moment kennelijk werd toegekend aan een Nederlandse televisiecommentator die eerder op neerbuigende wijze over Curaçao zou hebben gesproken.
Daarmee gaat het niet slechts om de vraag wie formeel een winkel opent. De diepere vraag is wie de eer krijgt om onze nationale trots te vertegenwoordigen. Juist bij momenten die raken aan identiteit en collectieve waardigheid, doet symboliek ertoe.
Die gevoeligheid wordt nog groter wanneer men bedenkt dat 21 mei tevens de geboortedag is van een van onze oud-premiers. Op een dag waarop Curaçao ook had kunnen stilstaan bij eigen leiderschap, eigen geschiedenis en eigen waardigheid, ontstond de indruk dat erkenning van buitenaf zwaarder woog dan erkenning van binnenuit.
Dat roept ongemakkelijke, maar noodzakelijke vragen op. Waren er werkelijk geen Curaçaose oud-internationals die deze eer waardig waren? Geen lokale sporticonen? Geen jeugdtrainers? Geen vrijwilligers die jarenlang, vaak zonder publieke erkenning, hebben gebouwd aan het Curaçaose voetbal? Geen supporters die het nationale team in goede en slechte tijden zijn blijven dragen? Geen jonge voetballer die symbool had kunnen staan voor de toekomst?
Curaçao mag gastvrij zijn. Curaçao mag samenwerken met Nederland, met de regio en met de rest van de wereld. Onze kracht ligt juist vaak in het bouwen van bruggen tussen culturen, talen en gemeenschappen. Maar gastvrijheid mag nooit worden verward met zelfverloochening. Respect voor anderen hoeft nooit ten koste te gaan van respect voor onszelf.
Wanneer iemand publiekelijk neerbuigend spreekt over Curaçao, mag van onze instellingen worden verwacht dat zij zorgvuldig afwegen of diezelfde persoon vervolgens een prominente rol moet krijgen bij een gebeurtenis die als eerbetoon aan Curaçaose trots wordt gepresenteerd. Dat is geen kwestie van bitterheid. Het is een kwestie van zelfrespect.
Een fan shop is misschien commercieel van aard, maar de opening ervan is meer dan een marketingmoment. Het is een publieke handeling van erkenning. Het gaat over de spelers die jarenlang hebben getraind op velden waar de omstandigheden niet altijd ideaal waren. Het gaat over ouders die offers hebben gebracht. Over trainers, vrijwilligers, oud-spelers, supporters en yu di Kòrsou die deze droom hebben gedragen lang voordat internationale media er belangstelling voor kregen.
Daarom is de centrale vraag gerechtvaardigd: was er werkelijk geen Curaçaoënaar waardig genoeg om dit moment te dragen?
Deze vraag hoeft niet uit boosheid te worden gesteld. Zij mag juist worden gesteld uit liefde voor Curaçao. Een volwassen samenleving moet moeilijke vragen kunnen of durven stellen zonder onmiddellijk te vervallen in verwijt of verdeeldheid. Maar zij moet ook durven erkennen dat publieke keuzes betekenis hebben. Wie wij uitnodigen, wie wij eren en wie wij op het podium plaatsen, zegt iets over hoe wij naar onszelf kijken.
Zelfrespect betekent niet dat wij anderen buitensluiten. Het betekent wel dat wij bewust omgaan met de symbolen van onze nationale waardigheid. Het betekent dat wij niet achteloos voorbijgaan aan mensen uit onze eigen gemeenschap die jarenlang hebben bijgedragen aan het fundament waarop zulke momenten worden gebouwd.
Curaçao hoeft niet luid te zijn om duidelijk te zijn. Maar Curaçao moet wel leren dat symboliek ertoe doet. Waardigheid wordt niet alleen verdedigd in grote politieke toespraken of officiële verklaringen. Soms begint zij bij iets ogenschijnlijk eenvoudigs. De vraag wie de schaar mag vasthouden bij het doorknippen van een lint.
Dit moment had een viering van nationaal zelfrespect kunnen zijn. Dat kan het nog steeds worden, mits wij bereid zijn eerlijk te reflecteren. Niet om te verdelen, maar om te herinneren. Niet om te beschuldigen, maar om te leren.
Want een volk dat zichzelf respecteert, bepaalt ook zelf wie zijn trots mag vertegenwoordigen.
Zelfrespect is geen folklore. Het is de basis van waardigheid.