Een keuze is juridisch vrijwillig wanneer een land “nee” mag zeggen. Maar hoe vrijwillig is die keuze economisch wanneer aan dat “nee” zware consequenties kunnen worden verbonden?

Een keuze is juridisch vrijwillig wanneer een land “nee” mag zeggen. Maar hoe vrijwillig is die keuze economisch wanneer aan dat “nee” zware consequenties kunnen worden verbonden?
Het krantenartikel van Extra van vandaag 28 augustus 2026 over de Curaçaose minimumbelasting raakt aan een veel grotere kwestie dan alleen een belastingtarief van 15 procent. Het beschrijft hoe Curaçao zijn wetgeving afstemt op de internationale OESO-systematiek.
Daarmee rijst echter principiële juridisch-economische vragen:
Pillar Two is ontwikkeld binnen het OECD/G20 Inclusive Framework om te voorkomen dat grote multinationale ondernemingen winsten kunstmatig laag of vrijwel niet laten belasten. Dat is een legitiem doel. Maar de OESO kwalificeert de GloBE-regels uitdrukkelijk als een “common approach”. Landen zijn niet verplicht deze regels in te voeren. Doen zij dat wel, dan moeten zij de overeengekomen systematiek respecteren.
Interessant is dat de OESO zelf landen adviseert vóór implementatie een “Decide”-fase te doorlopen: eerst onderzoeken welke multinationals worden geraakt, welke fiscale opbrengsten kunnen ontstaan en of alle of slechts bepaalde onderdelen van de regels moeten worden ingevoerd.
Precies daar begint voor Curaçao de proportionaliteitsvraag.
Een maatregel moet niet alleen een legitiem doel hebben. Hij moet ook geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn. Kan hetzelfde doel worden bereikt met minder administratieve lasten, minder verlies aan economische beleidsruimte en gerichtere maatregelen tegen werkelijk misbruik?
Voor een kleine eilandseconomie is dat geen theoretische discussie. Curaçao heeft een kleine binnenlandse markt, weinig schaalvoordelen, hoge transport- en importkosten en veel minder economische instrumenten dan grote industriële landen. Fiscaliteit is daardoor niet alleen een bron van overheidsinkomsten, maar kan ook een ontwikkelingsinstrument zijn om kapitaal, hoogwaardige werkgelegenheid en reële economische activiteiten aan te trekken.
Kunstmatige winstverschuiving bestrijden is legitiem. Maar belastingontwijking bestrijden en legitieme fiscale concurrentie beperken zijn niet automatisch hetzelfde.
Opvallend is dat de Curaçaose regering dit proportionaliteitsprobleem inmiddels zelf heeft onderkend. Op 13 april 2026 besloot zij de QDMTT (gekwalificeerde binnenlandse aanvullende minimumbelasting) niet in te voeren, omdat deze Curaçao als vestigingsplaats minder aantrekkelijk zou kunnen maken en een concurrentienadeel kon opleveren. Ook de UTPR (de zogenoemde vangnetregel ) wordt niet ingevoerd: vanwege de beperkte verwachte opbrengst en complexiteit noemt de regering invoering daarvan expliciet niet efficiënt of proportioneel. De IIR blijft wel voorzien.
Daarmee erkent Curaçao feitelijk zelf dat internationale fiscale uniformiteit niet automatisch gelijkstaat aan proportioneel fiscaal beleid voor Curaçao.
Daar komt nog iets bij. Internationale fiscale normen functioneren niet in een vacuüm. OESO- en Global Forum-beoordelingen werken door in EU-screening, hervormingstoezeggingen, Annex II, mogelijke blacklisting en defensieve maatregelen. De EU bevestigt zelf dat haar criteria aansluiten bij internationale OESO-standaarden en dat het niet nakomen van vereiste toezeggingen uiteindelijk tot listing kan leiden.
Dat betekent niet dat het niet invoeren van Pillar Two automatisch tot blacklisting leidt. Maar de bredere internationale fiscale architectuur laat wel zien hoe een formeel niet-bindende norm door economische en reputatiedruk materieel veel minder vrijblijvend kan worden. In februari 2026 werden de Turks- en Caicoseilanden bijvoorbeeld opnieuw op de EU-lijst geplaatst na zorgen van het OESO-forum over de handhaving van economische-substancevereisten.
Een keuze is juridisch vrijwillig wanneer een land “nee” mag zeggen. Maar hoe vrijwillig is die keuze economisch wanneer aan dat “nee” zware consequenties kunnen worden verbonden?
Curaçao zou daarom vóór verdere implementatie een actuele, eigen maatschappelijke kosten-baten- en proportionaliteitsanalyse moeten verlangen: niet alleen belastingopbrengsten en uitvoeringskosten, maar ook investeringsklimaat, concurrentiepositie, fiscale beleidsruimte, alternatieve antimisbruikmaatregelen en de kwetsbaarheid van een kleine eilandseconomie.
De kernvraag is dus niet alleen, voldoet Curaçao aan de internationale fiscale standaard?
De fundamentelere vraag is,
Voldoet wat internationaal van Curaçao wordt verwacht, wanneer het op onze kleine economie wordt toegepast, zélf aan de eisen van noodzakelijkheid, evenwichtigheid en proportionaliteit?
Ook kleine aanpassingen kunnen verschil maken
Dayanara Chin-A-Lin-Roozendaal so a keda komo kandidato