Analyse
Curaçao noemt zichzelf terecht een Caribisch land. Onze geschiedenis, cultuur en geografische ligging laten daarover weinig twijfel bestaan. Toch vertellen onze handelsstromen een ander verhaal: voor een belangrijk deel van onze goederen blijven wij afhankelijk van leveranciers die duizenden kilometers verderop zijn gevestigd, terwijl economische kansen veel dichterbij liggen.
Die tegenstelling wordt zichtbaar in het gezamenlijke onderzoek dat de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (CBCS) en de Central Bank of Trinidad and Tobago deze week publiceerden. De studie, Fostering Bilateral Trade between Curaçao and Trinidad and Tobago, analyseert handelsgegevens over 2018 tot en met 2024. Daaruit blijkt dat de handel met Trinidad en Tobago gemiddeld minder dan één procent van Curaçao’s totale handel vertegenwoordigde. (CBCS/CBTT, augustus 2026)
Dat is opmerkelijk. Trinidad en Tobago beschikt binnen de regio over een stevige industriële basis en heeft aantoonbare voordelen op het gebied van energie, chemische en minerale producten, bouwmaterialen, transport, verzekeringen en bewerkte voedingsmiddelen. Curaçao heeft op zijn beurt kansen bij dranken, consumentenproducten, bepaalde kunststoffen, papierproducten en vooral telecommunicatie-, computer- en informatiediensten.
De economieën zijn dus niet identiek, maar juist gedeeltelijk aanvullend. Trinidad kan producten leveren waaraan Curaçao behoefte heeft, terwijl Curaçaose bedrijven toegang kunnen krijgen tot een markt van ongeveer 1,5 miljoen inwoners. Toch blijven de handelsstromen beperkt.
De vraag waarom Curaçao zoveel uit de Verenigde Staten en Nederland importeert, terwijl Trinidad veel dichterbij ligt, klinkt eenvoudig. Het antwoord is dat geografische nabijheid niet automatisch leidt tot goedkopere handel.
De bestaande handelsroutes met de Verenigde Staten en Nederland zijn historisch gegroeid. Leveranciers, banken, distributeurs, kwaliteitsnormen, verzekeringen en betalingssystemen zijn daarop ingericht. Daartegenover staan binnen het Caribisch gebied soms gebrekkige scheepvaartverbindingen, beperkte vrachtcapaciteit, ingewikkelde douaneprocedures en uiteenlopende product- en certificeringseisen. Een product kan daardoor dichtbij worden vervaardigd, maar toch duurder of moeilijker beschikbaar zijn dan een product dat van verder komt.
Juist daarom is een handelsakkoord alleen niet voldoende. De centrale banken adviseren onder meer om douaneprocedures te vereenvoudigen, productstandaarden beter op elkaar af te stemmen, transport- en havenverbindingen te verbeteren en digitale handel en betalingen te faciliteren. Ook moet het voorgenomen Partial Scope Trade Agreement niet worden beperkt tot een symbolische lijst producten, maar juist aansluiten bij concrete vraag, productiecapaciteit en exportmogelijkheden.
Op 28 juli 2024 werd Curaçao officieel geassocieerd lid van CARICOM. Premier Gilmar Pisas verklaarde toen dat Curaçao door zijn ligging, havens en zakelijke infrastructuur een regionaal handelscentrum kan worden. Ook meldde hij dat onderhandelingen met onder meer Trinidad en Tobago waren begonnen. (CARICOM, 30 juli 2024)
Twee jaar later verdient die ambitie een concrete tussenstand. Welke producten worden in het handelsakkoord opgenomen? Welke Curaçaose ondernemingen zijn geraadpleegd? Zijn er afspraken over vrachtverbindingen, douane, keuringen, betalingen en wederzijdse erkenning van standaarden? En welke meetbare doelen gelden voor regionale import, export en werkgelegenheid?
Regionale handel betekent overigens niet dat Curaçao kritiekloos iedere import uit Europa of Noord-Amerika moet vervangen. Prijs, kwaliteit, leveringszekerheid en voedselveiligheid moeten leidend blijven. Maar een land dat economische weerbaarheid nastreeft, kan het zich evenmin veroorloven regionale alternatieven structureel buiten beeld te laten.
Het lidmaatschap van CARICOM was diplomatiek belangrijk. De werkelijke betekenis ervan wordt echter niet bepaald tijdens topontmoetingen, maar in havens, winkels, fabrieken en digitale netwerken. De kernvraag blijft daarom: is Curaçao alleen geografisch en cultureel Caribisch, of durft het eindelijk ook economisch als Caribisch land te handelen?
Meer gebruik van IPv6, beter onderwijs en regionale samenwerking nodig