Analyse

Analyse
Curaçao heeft een moderne, toegankelijke en betrouwbare overheid nodig, (Digitale identificatie en centrale overheidsdiensten kunnen burgers sneller helpen, administratieve lasten verminderen en de publieke dienstverlening verbeteren) maar moet voorkomen dat persoons- en bedrijfsgegevens, kritieke overheidsinformatie en de technische regie opnieuw buiten het eiland komen te liggen. Samenwerking met Nederland zou wellicht voor vooruitgang kunnen zorgen, zolang kennisdeling niet ongemerkt verandert in digitale afhankelijkheid en moderne rekolonisatie.
De aangekondigde kennisuitwisseling tussen minister Shalten Hato en Logius kan daarom een belangrijke stap vooruit zijn mits de data soevereiniteit bij Curaçao in stand blijft. Derhalve mag vooruitgang niet betekenen dat persoonsgegevens, kritieke overheidsinformatie en de technische regie opnieuw buiten Curaçao komen te liggen. Samenwerking met Nederland zou waardevol kunnen zijn, zolang kennisdeling niet ongemerkt verandert in digitale afhankelijkheid en moderne rekolonisatie.
Moderne rekolonisatie hoeft zich niet te voltrekken door zichtbaar bestuur van buitenaf. In het informatietijdperk kan zij ontstaan wanneer een samenleving voor haar digitale identiteit, overheidscommunicatie en gegevensbeheer afhankelijk wordt van buitenlandse instellingen, Cloud- bedrijven of technische leveranciers. (Dit hoeft echter niet het geval te zijn aangezien Curaçao zelf over de meeste belangrijke bouwstenen hiervoor beschikt. Laat niemand je anders wijsmaken anders betekent dit niets anders dan verborgen agendabeheer).
Het risico is dat Curaçao formeel eigenaar kan blijven van een digitaal loket, terwijl de software, servers, beveiligingssleutels, updates en gespecialiseerde kennis elders worden beheerd. Het Land bezit dan misschien het systeem op papier, maar kan het zonder externe toestemming of ondersteuning niet zelfstandig controleren, aanpassen of voortzetten.
Dat risico mag niet worden onderschat. Een technisch goed beveiligd systeem is namelijk niet automatisch een soeverein systeem. Cyberveiligheid beschermt tegen aanvallen; digitale soevereiniteit bepaalt wie uiteindelijk de macht heeft.
Voor zover publiekelijk is gebleken, zijn nog geen concrete Statenvragen gepubliceerd over deze samenwerking en de mogelijke gevolgen voor de Curaçaose datasoevereiniteit. Het is mogelijk dat vragen nog volgen, maar het parlement mag niet wachten totdat overeenkomsten zijn gesloten en technische keuzes onomkeerbaar zijn geworden. Laten wij in dit kader de pijnlijke les “UTS-Flow” niet vergeten.
De Staten vertegenwoordigen de bevolking van Curaçao en moeten de minister daarom ondubbelzinnig onder meer de volgende vragen stellen:
Samenwerking moet zelfstandigheid opleveren
Curaçao, Aruba en Sint-Maarten kunnen zich beter beschermen door gezamenlijk deskundigheid, cybersecuritycapaciteit en onderhandelingskracht op te bouwen. Zij moeten eisen dat gegevens onder eigen rechtsmacht blijven, lokale professionals vanaf het begin worden opgeleid en alle externe toegang onafhankelijk controleerbaar is.
Ook moeten systemen overdraagbaar zijn naar een andere beheerder. De eilanden mogen nooit gevangen raken in technologie die zij niet zelf kunnen onderhouden of vervangen. Kennisuitwisseling moet kennis achterlaten; zij mag geen permanente afhankelijkheid organiseren.
Het parlement moet vóór verdere besluitvorming volledige openheid eisen over de architectuur, contracten, gegevensstromen, leveranciers en risicoanalyses. Niet nadat het systeem is gebouwd, maar nu. De geschiedenis verplicht Curaçao niet tot afwijzing van samenwerking, maar verplicht Curaçao juist wel tot waakzaamheid. Wie in het informatietijdperk de digitale identiteit, gegevens en infrastructuur van een samenleving beheerst, beschikt over een vorm van macht die verder reikt dan traditionele grenzen.