Analyse
Als mogelijke rijkdom onder onze eigen zeebodem ligt, wie bepaalt dan waarnaar wordt gezocht: Curaçao zelf, of degene die over de data, kennis en modellen beschikt?
De aanleiding voor deze vraag is een opmerkelijke reeks publicaties van petroleumgeoloog en adviseur Marcel Chin-A-Lien en zijn Golden Lane Investments Advisory Group, GLIAG. De stukken verschenen eind juli Curacao-Aruba-a-petroleum-exploration-guide en begin augustus 2026 op het gespecialiseerde platform Petroleum & Energy Insights. Bonaire Basin Petroleum
Op zichzelf bewijzen deze publicaties niet dat onder Curaçao commercieel winbare olie of gas aanwezig is. Evenmin bestaat publiek bewijs voor een verborgen opdrachtgever. Maar wanneer de publicaties worden geplaatst naast de geschiedenis van het Curaçaose eigen petroleumbeleid, ontstaat een chronologie die vragen oproept over wie feitelijk richting geeft.
Op 27 oktober 2014 richt Curaçao de Kompania di Petroli i Gas Kòrsou N.V. (KPG) op. Volgens de officiële jaarrekening 2014 was het doel expliciet de exploratie en winning van eventueel aanwezige aardolie en aardgas. Het Land creëerde daarmee bewust een eigen petroleuminstrument.
In 2018, vier jaar later, vermeldt de officiële jaarrekening van Curaçao dat KPG nog geen jaarrekening had aangeleverd en “momenteel niet operationeel” was.
18 mei 2020 wordt de Petroleumlandsverordening vastgesteld. Die wet bepaalt dat petroleum in het Curaçaose zeegebied eigendom is van het Land Curaçao en geeft KPG het exclusieve recht op onderzoek en winning. KPG moet bovendien contractueel regelen wie rechten krijgt op onderzoeksresultaten en hoe deze mogen worden openbaar gemaakt of verhandeld. De wet voorziet daarnaast in een onafhankelijke Petroleumraad die de regering over exploratie en winning moet adviseren.
Op 14 oktober 2025 wordt volgens de officiële ontbindingspublicatie van de Kamer van Koophandel KPG ontbonden. De Begroting 2026 vermeldt de vennootschap tegelijkertijd nog als “Niet Actief”.
Op 29 juli 2026 publiceert GLIAG op Petroleum & Energy Insights “Curaçao-Aruba Seismic Design: A Petroleum Exploration Guide”. Het document bepaalt niet alleen dát nader onderzoek wenselijk zou zijn, maar adviseert ook waar. GLIAG noemt het zuiden en zuidoosten van Curaçao de hoogste prioriteit en concludeert dat uiteindelijk ongeveer 60 tot 70 procent van de onderzoeksinspanning daar zou moeten worden geconcentreerd. Ook worden duizenden kilometers seismische lijnen en technische onderzoeksparameters voorgesteld. GLIAG noemt het zelf een onafhankelijke, conceptuele analyse, gebaseerd op publiek beschikbare informatie.
Vervolgens publiceert Chin-A-Lien op 31 juli 2026: “Bonaire Basin: Unveiling Petroleum Potential”. Daarin doet hij expliciet een beroep op beleidsmakers, toezichthouders, weten-schappelijke instellingen en de industrie om het petroleumvraagstuk verder te onderzoeken. Hij benadrukt tegelijkertijd dat zijn kaarten hypothesen zijn en geen exploratieklare ondergrondmodellen.
Op 1 augustus 2026, één dag later, verschijnt de commerciële “Bonaire Basin & Falcón Region Petroleum-System Atlas”. Daarin modelleert GLIAG onder meer een P50 van 534 miljoen vaten winbare olie en 9,2 Tcf gas. Dit zijn géén bewezen reserves. Het rapport wordt commercieel aangeboden aan onder andere oliebedrijven, ministeries en nationale petroleummaatschappijen, met licentieprijzen oplopend tot US$ 45.000.
Deze chronologie bewijst nog geen geheime agenda. De openbare stukken geven daarvoor geen basis.
Maar zij rechtvaardigt wel een fundamentelere vraag.
De Curaçaose wet heeft de regie bewust bij Curaçao gelegd. Het Land bezit eventuele petroleum, KPG moest de petroleumrechten bewaken en een Petroleumraad moest onafhankelijk adviseren. Toch werd KPG nooit werkelijk operationeel en uiteindelijk ontbonden.
Tegelijkertijd ontwikkelt een particuliere partij nu de kaarten, prioriteitsgebieden, exploratiemodellen en commerciële datasets waarmee toekomstige besluitvorming kan worden beïnvloed.
Daarmee verschuift de discussie van wie juridisch bevoegd is naar wie feitelijk over de kennis beschikt.
Want natuurlijke rijkdom begint niet bij de eerste vat olie. Zij begint bij data, geologische kennis en het vermogen om zelf te bepalen welke vragen worden gesteld.
Misschien is daarom niet de eerste vraag of Curaçao olie heeft. De eerste vraag is waarom Curaçao, tien jaar nadat het daarvoor een eigen instrument oprichtte, nog steeds anderen nodig lijkt te hebben om ons te vertellen waar wij onder onze eigen zeebodem moeten zoeken
Pago mensual pa un kas por kuminsá for di XCG 550.