Analyse

Analyse
Naar aanleiding van recente uitspraken van minister van Financiën Charles Cooper in het radioprogramma van afgelopen zaterdag is de discussie over belastinginning opnieuw actueel geworden. In het publieke debat wordt daarbij telkens verwezen naar waarschuwingen die het College financieel toezicht, het Cft, reeds sinds 2020 zou hebben afgegeven.
Die discussie roept een fundamentele vraag op:
Welk aantoonbaar en meerjarig economisch ontwikkelingsplan ligt ten grondslag aan de verdere aanscherping van de belastinginning? En welk gedeelte van iedere extra belastinggulden wordt daadwerkelijk geïnvesteerd in nieuwe economische pijlers, versterking van de koopkracht en duurzame werkgelegenheid?
De vraag is namelijk niet óf burgers en ondernemingen hun wettelijk verschuldigde belastingen moeten betalen. In een rechtsstaat behoort belastingheffing rechtmatig, zorgvuldig en op gelijke wijze plaats te vinden. De werkelijke vraag is welke economie de belastingbetaler daarvoor terugkrijgt.
Belastinginning is nog geen economisch beleid
Een overheid kan haar begroting tijdelijk verbeteren door belastingachterstanden in te vorderen, nieuwe belastingen in te voeren of bestaande heffingen strenger toe te passen. Belastinginning creëert op zichzelf echter geen nieuwe productie, export, innovatie of werkgelegenheid. Zij verplaatst bestaande financiële middelen van burgers en ondernemingen naar de overheid.
Pas wanneer die middelen doelgericht worden geïnvesteerd in onderwijs, infrastructuur, energiezekerheid, digitalisering, voedselproductie en nieuwe exportgerichte activiteiten, kunnen zij bijdragen aan duurzame economische groei.
Het Cft wees in 2026 op ongeveer XCG 3,2 miljard aan openstaande belasting- en premieschulden. Dat bedrag roept onmiddellijk de vraag op in hoeverre het reëel, actueel en daadwerkelijk invorderbaar is.
Een rechtmatige aanpak van bewuste en structurele wanbetaling is begrijpelijk en noodzakelijk. Daarbij moet echter onderscheid worden gemaakt tussen belastingplichtigen die bewust niet betalen en ondernemingen die door liquiditeitsproblemen, economische tegenslagen, administratieve achterstanden of betwiste aanslagen tijdelijk niet kunnen betalen.
Zonder dat onderscheid kan een strengere invordering gezonde ondernemingen verder verzwakken, werkgelegenheid kosten en uiteindelijk juist leiden tot lagere belastingopbrengsten.
Waar blijven de productieve investeringen?
De begroting van Curaçao bevatte voor 2026 ongeveer XCG 199 miljoen aan voorgenomen investeringen. In het eerste kwartaal werd daarvan echter slechts ongeveer XCG 6 miljoen gerealiseerd. Tegelijkertijd lagen de belastingopbrengsten circa XCG 38 miljoen boven de begroting.
Dat verschil verdient meer politieke en maatschappelijke aandacht. Het probleem lijkt immers niet uitsluitend te zijn dat Curaçao onvoldoende inkomsten ontvangt. Het probleem is ook dat beschikbare middelen en goedgekeurde investeringsbudgetten niet tijdig worden omgezet in concrete projecten.
Een overheid die steeds beter wordt in het innen van belastingen, maar onvoldoende capaciteit heeft om productieve investeringen uit te voeren, lost haar economische kwetsbaarheid niet op. Zij kan dan wel een sluitende begroting presenteren, terwijl de economische basis smal blijft of zelfs verder versmalt.
Toerisme alleen maakt Curaçao niet weerbaar
Toerisme is van groot belang voor Curaçao. Het zorgt voor inkomsten, werkgelegenheid en internationale zichtbaarheid. Een economie die echter in hoge mate afhankelijk blijft van toerisme, vastgoed en import, is kwetsbaar voor mondiale recessies, pandemieën, stijgende vliegprijzen, geopolitieke spanningen en klimaatverandering.
De Centrale Bank verwacht dat de economische groei van Curaçao afneemt van 5,1 procent in 2025 naar 2,7 procent in 2026. https://centralbank.cw/storage/app/media/Economic%20Bulletin%202026/20260624_economic_bulletin-june_2026.pdf?. Daarnaast waarschuwt zij dat externe schokken en stijgende energie- en importkosten ook op Curaçao de inflatie kunnen aanjagen en de koopkracht onder druk kunnen zetten.
Economische groei op papier betekent daarom niet automatisch dat gezinnen ook meer kunnen kopen. Wanneer de kosten van voedsel, energie, wonen en vervoer sneller stijgen dan de salarissen, neemt de feitelijke levensstandaard af.
De relevante vraag is dan niet alleen hoeveel de economie groeit, maar vooral wie daadwerkelijk van die groei profiteert.
Hoeveel beleidsruimte heeft Curaçao werkelijk?
Het Cft heeft als wettelijke taak toezicht te houden op houdbare overheidsfinanciën. Het college is niet gekozen om het economische ontwikkelingsmodel van Curaçao te bepalen. Die verantwoordelijkheid ligt in de eerste plaats bij de regering en de Staten.
Niet iedere tekortkoming in het economische beleid kan daarom aan het Cft worden toegeschreven. Ook het Cft heeft herhaaldelijk gewezen op het belang van hervormingen, investeringen en versterking van het economische GroeiVermogen.
De regering moet echter duidelijk maken hoeveel beleidsruimte Curaçao daadwerkelijk bezit. Welke economische keuzes worden beperkt door het financieel toezicht, de schuldenpositie en internationale regelgeving? En welke mogelijkheden blijven onbenut door gebrek aan beleidsruimte, bestuurlijke capaciteit, besluitvorming of uitvoering?
De vraag is niet uitsluitend of internationale regels bewust zijn ontworpen om de eilanden economisch afhankelijk te houden. Belangrijker is om kritisch te onderzoeken welke gevolgen deze regels in de praktijk hebben, in hoeverre zij aansluiten bij de schaal en economische kwetsbaarheid van kleine eilanden, wie er voordeel of nadeel van ondervindt en welke beleidsalternatieven daadwerkelijk beschikbaar zijn. Daarnaast moet worden onderzocht waarom bepaalde mogelijkheden onbenut blijven en of Curaçao voldoende beleidsruimte krijgt om zijn eigen economische ontwikkeling vorm te geven.
Vragen die niet onbeantwoord mogen blijven
Tegen deze achtergrond zouden de volgende vragen centraal moeten staan:
Een begroting moet de economie dienen
Begrotingsdiscipline is noodzakelijk. Een land kan niet onbeperkt meer uitgeven dan het ontvangt. Een sluitende begroting is echter een middel en geen einddoel.
Wanneer begrotingsevenwicht wordt bereikt door steeds meer middelen te onttrekken aan dezelfde beperkte groep burgers en ondernemingen, zonder tegelijkertijd de productiecapaciteit van het land te vergroten, kan het medicijn uiteindelijk schadelijker worden dan de kwaal.
Curaçao heeft daarom niet alleen behoefte aan een plan voor belastinginning. Het land heeft behoefte aan een zichtbaar, uitvoerbaar en controleerbaar plan voor economische verbreding, productieve investeringen en versterking van de koopkracht.
De kernvraag
Worden de extra belastinginkomsten gebruikt om Curaçao economisch sterker, weerbaarder en zelfstandiger te maken? Of worden zij voornamelijk ingezet om de begroting op korte termijn sluitend te houden, terwijl de economische basis even smal blijft of zelfs verder versmalt?
Van een kale kip kan men inderdaad geen veren blijven plukken. Maar nog belangrijker is dat die kip, zonder voeding, ruimte en investeringen in groei, ook nooit opnieuw veren zal krijgen
Geen reguliere indexatie, wel gemiste indexatie