Analyse
Met deze woorden zegt Mia Amor Mottley, premier van Barbados, iets waar de wereld misschien wat langer bij zou moeten stilstaan. Zij sprak op 23 september 2026 tijdens een bijeenkomst van de Council on Foreign Relations in New York, nadat haar was gevraagd waarom zij zich niet kandidaat had gesteld om de eerste vrouwelijke secretaris-generaal van de Verenigde Naties te worden.
Op het eerste gezicht gaat haar antwoord over een persoonlijke beslissing. Bij nadere lezing legt het echter een veel fundamentelere vraag bloot.
Vrijheid om te spreken, maar ook vrijheid om gehoord te worden
Juridisch bestaat er weinig discussie over het uitgangspunt. Artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten beschermt de vrijheid om opvattingen te hebben en informatie en ideeën te ontvangen en te verspreiden. De VN-Mensenrechtencommissie noemt vrijheid van meningsuiting bovendien een essentiële voorwaarde voor transparantie en publieke verantwoording.
Maar Mottleys opmerking raakt aan iets anders.
Zij zegt niet dat zij niet mág spreken. Zij zegt dat zij zich afvraagt of de wereld iemand wil wiens “tongue” misschien te zwaar is.
Vrijheid van meningsuiting kan juridisch bestaan, terwijl er tegelijkertijd politieke, diplomatieke of institutionele kosten verbonden kunnen zijn aan het openlijk ter discussie stellen van gevestigde belangen.
De journalistieke vraag is daarom niet of Mottley wordt gecensureerd. Daarvoor biedt haar uitspraak geen bewijs.
De relevantere vraag is:
Hoe vrij is spreken in de praktijk wanneer bepaalde opvattingen iemand mogelijk minder aanvaardbaar maken voor de hoogste internationale functies?
Nog indringender is haar tweede opmerking: dat zij niet zeker weet of de wereld klaar is om werkelijk volgens een “consensual approach” samen te werken.
Dat raakt aan de structuur van het internationale systeem zelf. Neem juist de functie waarover haar de vraag werd gesteld. Volgens artikel 97 van het VN-Handvest wordt de secretaris-generaal benoemd door de Algemene Vergadering, maar pas op aanbeveling van de Veiligheidsraad.
De Veiligheidsraad telt vijftien leden, maar vijf daarvan China, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten hebben een permanente status en beschikken bij inhoudelijke besluiten over vetomacht. Eén negatieve stem van een permanent lid kan een besluit blokkeren.
Dat systeem is juridisch vastgelegd. Maar het roept wel de vraag op hoe gelijkwaardig internationale besluitvorming werkelijk kan zijn wanneer sommige staten structureel over meer beslissingsmacht beschikken dan andere.
Voor Barbados, Curaçao en andere kleine Caribische economieën is dit geen academische discussie.
Besluiten over klimaatfinanciering, internationale belastingregels, handel, schulden, ontwikkelingsfinanciering, veiligheid en economische toegang worden vaak genomen in fora waarin kleine staten formeel wel aanwezig zijn, maar niet noodzakelijk over vergelijkbare economische of geopolitieke invloed beschikken.
Daarom krijgt ook een ander deel van Mottleys antwoord betekenis:
Dat kan eenvoudig worden gelezen als: ik heb andere verantwoordelijkheden.
Maar in combinatie met haar opmerkingen over haar “heavy tongue” en consensus ontstaat een fundamentelere vraag:
Waar kan een leider van een kleine staat het meest effectief en onafhankelijk opkomen voor de belangen van zijn land en zijn regio?
Misschien is dát de echte discussie
Mottleys woorden bewijzen niet dat vrijheid van meningsuiting binnen internationale instellingen niet bestaat. Evenmin bewijzen zij dat wereldleiders consensus afwijzen.
Maar zij stellen wel een ongemakkelijke vraag die niet moet worden weggewuifd:
willen wij werkelijk een internationale orde waarin verschillende stemmen vrij kunnen spreken en staten gezamenlijk tot oplossingen komen, of geldt die ruimte vooral zolang fundamentele machtsverhoudingen niet ter discussie worden gesteld?
Voor kleine landen is het antwoord daarop van groot belang.
Want echte internationale samenwerking begint niet wanneer iedereen hetzelfde zegt.
Zij begint wanneer ook degene met minder economische, militaire of politieke macht vrijuit kan spreken en vervolgens werkelijk aan tafel kan blijven zitten.
Meer gebruik van IPv6, beter onderwijs en regionale samenwerking nodig