Analyse
Tijdens de Caribbean Week of Agriculture 2026 kwam een opmerkelijke tegenstelling naar voren. CARICOM wil meer voedsel binnen het Caribisch gebied produceren en onderling verhandelen. Toch blijken producten van onze eigen Caribische buren soms duurder dan goederen die duizenden kilometers hebben afgelegd.
De Chamber of Commerce of Jamaica benoemde het probleem tijdens de conferentie vrij direct. Bedrijven kunnen niet zonder meer worden verweten dat zij onvoldoende regionale producten inkopen. Zij moeten rekening houden met prijs, kwaliteit en wat consumenten willen kopen. De regering van Belize wees daartegenover op iets anders: het Caribisch gebied moet meer produceren, meer bij elkaar kopen en uiteindelijk beter in staat zijn zichzelf te voeden.
Beide hebben een punt.
Maar voor Curaçao ontbreekt nog een belangrijke vraag:
Als het geïmporteerde product goedkoper is,
Het lijkt bijna onlogisch. Waarom kan voedsel uit Guyana, Jamaica, Belize of Suriname duurder op Curaçao aankomen dan een vergelijkbaar product uit Noord-Amerika, Europa of Azië? Groente en fruit werden van oudsher vanuit Venezuela geïmporteerd.
Afstand bepaalt kennelijk niet alleen de prijs.
Grote internationale producenten profiteren van enorme schaalvoordelen, gemechaniseerde productie, grote exportvolumes en efficiënte logistieke ketens. Binnen het Caribisch gebied zijn volumes kleiner, verbindingen beperkter en ontbreken soms efficiënte retourstromen.
Daar komen mogelijk vrachtkosten, haventarieven, invoerprocedures, certificering, verpakking en sanitaire en fytosanitaire eisen bij. Die schaalvoordelen kunnen wij ook in de regio bereiken als wij inderdaad samenwerken
CARICOM erkent dat probleem. In maart 2026 werd een regionaal initiatief gestart om voor tien prioritaire landbouwproducten geharmoniseerde sanitaire en fytosanitaire standaarden te ontwikkelen. Het expliciete doel is de belemmeringen voor handel in landbouwproducten binnen onze eigen regio te verminderen.
Dat roept voor Curaçao een praktische vraag op:
Dat zouden we moeten meten.
Voedselzekerheid betekent namelijk niet alleen dat er voldoende eten beschikbaar is. Het gaat ook over de:
van wat mensen dagelijks eten.
WHO benadrukte in januari 2026 opnieuw dat ongezonde voeding een belangrijke risicofactor is voor onder andere diabetes, hart- en vaatziekten, beroertes en kanker. Een gezond voedingspatroon moet bovendien veilig zijn en dus vrij zijn van schadelijke hoeveelheden microbiologische en chemische verontreinigingen.
Daarom moeten we bij geïmporteerd én regionaal voedsel verder kijken dan het prijskaartje.
Welke bestrijdingsmiddelen zijn tijdens de productie gebruikt? Wordt gecontroleerd op residuen? Welke normen hanteert Curaçao? Hoe vaak worden geïmporteerde groenten, fruit en andere landbouwproducten daadwerkelijk getest? En worden die resultaten openbaar gemaakt?
Dat zijn geen theoretische vragen. WHO en FAO beoordelen jaarlijks pesticiden en stellen op basis daarvan gezondheidskundige waarden en aanbevelingen voor maximale residulimieten vast. Hun meest recente rapport, gepubliceerd op 29 mei 2026, behandelde 38 pesticiden. WHO benadrukt bovendien dat pesticiden potentieel toxisch zijn en dat daarom strikte regulering én regelmatige controle van residuen noodzakelijk zijn.
Ook daar moet Curaçao wat ons betreft een duidelijke keuze kunnen maken.
Voor ons moet GMO een no-go zijn.
Niet omdat ieder regionaal product automatisch gezond is of ieder geïmporteerd product ongezond. Ook onze eigen producenten moeten voldoen aan strenge eisen voor voedselveiligheid, bestrijdingsmiddelen, hygiëne en kwaliteit.
Maar consumenten moeten ten minste kunnen weten wat zij eten.
WHO behandelt bij genetisch gemodificeerd voedsel onder andere allergeniciteit, gen overdracht en vermenging met conventionele gewassen als afzonderlijke aandachtspunten. Wie vanuit het voorzorgsbeginsel geen GMO-product wil consumeren, moet daarom over betrouwbare informatie beschikken om die keuze daadwerkelijk te kunnen maken.
Hier ligt misschien de belangrijkste discussie.
Het Caribisch gebied is eeuwenlang voor essentiële goederen, handel en kapitaal sterk afhankelijk geweest van landen buiten de regio. Moeten wij die afhankelijkheid bij iets zo fundamenteels als ons dagelijkse voedsel blijven accepteren wanneer wij een deel daarvan zelf of bij onze buren kunnen produceren?
Dat betekent niet dat Curaçao morgen alle voedselimport moet stoppen. Dat is noch realistisch, noch noodzakelijk.
Maar regionale voedselproductie is strategische infrastructuur.
Een boer in Guyana, Belize, Suriname of Jamaica vertegenwoordigt niet alleen een leverancier. Regionale productie betekent ook kennis, banen, landbouwgrond, productiecapaciteit en een kortere voedselketen waarop de regio zelf meer invloed kan uitoefenen.
De uitdaging voor CARICOM is daarom niet consumenten te vertellen dat zij uit regionale loyaliteit maar méér moeten betalen.
De uitdaging is veel concreter:
Dat is de voedselzekerheid waar Curaçao naar zou moeten streven:
Betaalbaar, gezond, veilig, controleerbaar en waar mogelijk lokaal en regionaal geproduceerd.
Want echte voedselzekerheid betekent niet alleen dat morgen voldoende eten in onze supermarkten ligt.
Het betekent ook dat wij steeds meer zeggenschap krijgen over waar ons voedsel vandaan komt, hoe het wordt geproduceerd en wat wij onze bevolking uiteindelijk te eten geven.
Ook kleine aanpassingen kunnen verschil maken
Dayanara Chin-A-Lin-Roozendaal so a keda komo kandidato