De Fiscale Rechtsstaat
De burger weet het inmiddels: belasting moet worden aangegeven én betaald. Wie niet tijdig betaalt, kan worden geconfronteerd met aanmaningen, rente, boetes en uiteindelijk een dwangschrift. Daarover hoeft geen misverstand te bestaan. Een land heeft belastinginkomsten nodig om zijn publieke taken te kunnen uitvoeren.
Maar daartegenover staat een even eenvoudige vraag:
Heeft de Belastingdienst zelf niet óók een verantwoordelijkheid om tijdig te handelen?
Want achter iedere belastingaangifte zit een burger. Soms moet die burger betalen. Maar soms heeft hij juist te veel belasting vooruitbetaald en wacht hij op geld dat hem toekomt.
Ook de burger heeft zijn geld nodig
Bij inkomstenbelasting wordt gedurende het jaar vaak loonbelasting ingehouden. Pas wanneer de definitieve aangifte is verwerkt en de aanslag wordt vastgesteld, kan duidelijk worden of iemand moet bijbetalen of recht heeft op teruggaaf.
Artikel 41B van de Landsverordening op de inkomstenbelasting regelt onder meer wanneer een aanslag wordt vastgesteld en voorheffingen worden verrekend. De Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) bepaalt bovendien dat wanneer iemand aangifte heeft gedaan en de Inspecteur besluit géén aanslag op te leggen, dit moet gebeuren bij een gemotiveerde, voor bezwaar vatbare beschikking.
De overheid heeft dus niet alleen het recht belasting te innen. Zij heeft ook een bestuurlijke verantwoordelijkheid tegenover degene die aangifte heeft gedaan.
Toch zit daar een opmerkelijke asymmetrie.
Voor het vaststellen van een gewone aanslag geeft artikel 10 ALL de Inspecteur in beginsel een termijn van maximaal vijf jaar nadat de belastingschuld is ontstaan.
Vijf jaar kan voor de wet een termijn zijn. Voor een gezin dat op enkele duizenden guldens teruggaaf wacht, kan vijf jaar een heel andere betekenis hebben.
Bij bezwaar is de wet duidelijker
Nog scherper wordt het wanneer een burger bezwaar maakt.
Artikel 30 ALL bepaalt dat de Inspecteur binnen negen maanden uitspraak op bezwaar moet doen. Verlenging is onder bepaalde wettelijke omstandigheden mogelijk, maar de Inspecteur moet de belastingplichtige daarvan schriftelijk in kennis stellen en de reden vermelden.
En toch blijkt uit recente rechtspraak dat burgers daadwerkelijk naar het Gerecht moeten stappen omdat beslissingen uitblijven.
Op 26 februari 2026 verklaarde het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond. De Inspecteur had na afloop van de wettelijke termijn nog steeds geen uitspraak gedaan. Het Gerecht droeg de Inspecteur op alsnog te beslissen en kende proceskosten en vergoeding van griffierecht toe.
Ook in januari 2025 Ook in januari 2025 greep het Gerecht in nadat bleek dat een bezwaar tegen een inkomstenbelastingaanslag, ingediend in september 2022, nog steeds niet was afgehandeld.
Er bestaat dus wel degelijk rechtsbescherming.
Maar daarmee verdwijnt de principiële vraag niet.
Waarom moet de burger procederen om een termijn af te dwingen?
Wanneer een burger zijn verplichtingen niet tijdig nakomt, volgen de consequenties veelal automatisch: rente, boete, aanmaning of invordering.
Wanneer de Belastingdienst een wettelijke beslistermijn overschrijdt, ontstaat daarentegen niet automatisch een vergelijkbare financiële sanctie ten gunste van de burger. De burger moet zelf actie ondernemen en eventueel procederen om besluitvorming af te dwingen.
Dat verschil verdient maatschappelijke discussie.
Want behoorlijk belastingbestuur bestaat uit méér dan effectief innen. Het gaat ook om rechtszekerheid, tijdige besluitvorming en wederkerigheid.
Rechtszekerheid werkt twee kanten op
Niemand vraagt dat belastingplichtigen worden ontslagen van hun verplichtingen.
De vraag is veel eenvoudiger:
Als van de burger wordt verlangd dat hij binnen wettelijke termijnen aangifte doet, betaalt en bezwaar maakt, mag diezelfde burger dan niet verwachten dat de overheid haar eigen termijnen met dezelfde ernst behandelt?
Het Land heeft zijn inkomsten nodig.
Maar de gepensioneerde, werknemer of het gezin dat te veel belasting heeft betaald, heeft zijn teruggaaf óók nodig.
Een geloofwaardig belastingstelsel vraagt daarom niet alleen om een Belastingdienst die krachtig kan innen.
Het vraagt ook om een Belastingdienst die tijdig kan teruggeven, beslissen en uitleggen.
De fiscale rechtsstaat begint immers niet bij wat de burger aan de overheid verschuldigd is. Zij omvat óók wat de overheid aan de burger verschuldigd is.
Ook kleine aanpassingen kunnen verschil maken
Dayanara Chin-A-Lin-Roozendaal so a keda komo kandidato