Analyse
Vanaf 10 juli 2027 wordt de Europese antiwitwasverordening uit 2024 van toepassing. Artikel 80 begrenst contante betalingen voor goederen en diensten bij professionele handelaren en dienstverleners tot €10.000. Samenhangende betalingen worden bij elkaar opgeteld. Lidstaten mogen lagere grenzen hanteren. Daarmee wordt een bestaande betaalmogelijkheid wettelijk ingeperkt.
Contant geld wordt hiermee niet afgeschaft. Betalingen tussen particulieren die niet beroepsmatig handelen, vallen buiten deze limiet. Ook voor betalingen en stortingen bij bepaalde financiële instellingen bestaan uitzonderingen. Maar betekent het voortbestaan van bankbiljetten automatisch dat de financiële keuzevrijheid voldoende beschermd blijft? Een consument die bij een autodealer een aankoop boven de grens volledig contant wil afrekenen, verliest die mogelijkheid wel degelijk.
De Europese instellingen presenteren de maatregel als bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Dat zijn ernstige maatschappelijke problemen. Toch behoort juist bij zulke zwaarwegende argumenten de democratische tegenvraag te klinken: welke aantoonbare extra bescherming levert deze beperking op, en welke vrijheid levert de rechtmatige gebruiker daarvoor in? Een respectabel beleidsdoel ontslaat de overheid niet van de plicht haar middelen te verantwoorden.
Contant betalen biedt ruimte om een rechtmatige aankoop te doen zonder dat daarvoor noodzakelijk een banktransactie wordt vastgelegd. Wanneer die mogelijkheid wordt beperkt, groeit de afhankelijkheid van financiële tussenpersonen. Wie bepaalt vervolgens onder welke voorwaarden iemand over zijn eigen geld kan beschikken? Welke bescherming heeft de burger bij een onterechte blokkade, een langdurig onderzoek of uitsluiting van dienstverlening?
Stel dat een bedrijf in twee dagen €100.000 ontvangt uit afzonderlijke, toegestane contante verkopen. De Europese grens verbiedt zo’n totale omzet op zichzelf niet.
Vrijheid kan worden beperkt door een rechtstreeks verbod, maar ook door omstandigheden waarin een wettelijk toegestane keuze nauwelijks uitvoerbaar blijft.
Voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten is juridische nauwkeurigheid noodzakelijk. De landen hebben een associatiestatus met de Europese Unie; deze verordening voert hier op 10 juli 2027 niet automatisch dezelfde cashlimiet in. Dat beantwoordt echter nog niet de vraag naar mogelijke indirecte gevolgen.
Zijn onze regeringen en parlementen op de hoogte van de toepassing vanaf juli 2027? Hebben zij onderzocht wat deze ontwikkeling kan betekenen voor inwoners die in Europa aankopen doen, voor handelsrelaties en voor het beleid van banken? Zijn hierover gesprekken gevoerd met de Centrale Bank van Aruba en de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten? En worden eventuele voorstellen voor lokale overname vooraf openbaar besproken?
Landen die vrijheid en democratie uitdragen, mogen verwachten dat burgers vragen stellen wanneer financiële handelingsruimte wordt verkleind. Privacy behoeft geen verdenking om bescherming te verdienen.
Menopauze een belangrijke overgang in de gezondheid van vrouwen